Multipass, het hulpprogramma van Ubuntu-maker Canonical waarmee je vlot virtuele machines opstart, krijgt met versie 1.17 een opvallende uitbreiding. Waar de tool zich altijd strikt richtte op Ubuntu, biedt de software vanaf nu directe ondersteuning voor andere Linux-distributies. Daardoor wordt het beheren van virtuele testomgevingen op Windows, macOS en Linux ineens een stuk veelzijdiger.
Met Multipass kun je normaal gesproken via een enkel terminalcommando binnen een paar tellen een schone virtuele machine starten. De software regelt op de achtergrond automatisch alle ingewikkelde instellingen rondom virtualisatie, netwerkverbindingen en opslag. Tot voor kort zat je daarbij echter vast aan Ubuntu. Met versie 1.17 breekt ontwikkelaar Canonical die afbakening open, waardoor gebruikers voortaan ook beelden van alternatieve Linux-varianten direct kunnen inladen.
In de praktijk betekent dit dat ontwikkelaars en hobbyisten niet langer hoeven uit te wijken naar zwaardere virtualisatiesoftware zodra ze een ander besturingssysteem willen gebruiken. Wie even snel iets wil compileren of testen op een distributie zoals Debian of Fedora, kan dat nu met dezelfde eenvoudige commando’s doen. Dat scheelt configuratiewerk en zorgt voor een consistente werkwijze, ongeacht of je op een Mac, Windows-pc of Linux-desktop werkt.
Canonical laat met deze stap zien dat het Multipass breder wil neerzetten dan alleen als promotietool voor het eigen besturingssysteem. Door de ondersteuning open te trekken, groeit de software uit tot een praktische en laagdrempelige standaard voor iedereen die regelmatig met verschillende virtuele Linux-omgevingen experimenteert.
