Het beveiligingslek werd blootgelegd door onderzoekers van beveiligingsbedrijf Hacktron. Zij zagen dat het invullen van een slim gekozen e-mailadres tijdens de registratie al voldoende was om opdrachten uit te voeren op de achterliggende server. Dat klinkt misschien technisch, maar het betekende concreet dat een gewone gebruiker direct toegang kreeg tot het hart van het platform. Vanuit die positie konden de onderzoekers het account van de officiële beheerder van Bash overnemen en een eigen toegangssleutel toevoegen aan de broncode van het project. Via een niet-bijgewerkte kernel kregen ze uiteindelijk zelfs volledige controle over de server en toegang tot back-ups.
Voor gebruikers had dit scenario enorme gevolgen kunnen hebben. Wanneer een kwaadwillende een achterdeur in Bash had gestopt, zou die besmette code via reguliere updates automatisch zijn doorgestroomd naar distributies als Ubuntu, Debian en Fedora. In de praktijk zouden miljoenen servers, computers en routers dan ongemerkt software hebben binnengehaald waarmee aanvallers op afstand konden inbreken, en dat allemaal via een officieel en vertrouwd kanaal.
Omdat de onderzoekers het probleem direct netjes hebben gemeld bij de Free Software Foundation, kon het beveiligingsgat worden gedicht voordat er misbruik van werd gemaakt. De ontdekking onderstreept wel hoe belangrijk het beheer van de ontwikkelinfrastructuur is. Zelfs de meest betrouwbare en gecontroleerde opensourcesoftware blijft kwetsbaar als het platform waarop de code wordt bewaard niet waterdicht is.
