Op dit moment bouwt containersoftware een afgeschermde omgeving op met behulp van verschillende losse kerneltechnieken. Denk hierbij aan namespaces om processen van elkaar te isoleren en zogeheten cgroups om het geheugen- en processorgebruik binnen de perken te houden. Voor de kernel zijn dit simpelweg afzonderlijke processen met bepaalde restricties; het overkoepelende concept van een container ontbreekt volledig. Door een container nu als een zelfstandig object in de kernel te registreren, weet het besturingssysteem direct welke processen, netwerkverbindingen en bestanden bij elkaar horen.
In de praktijk betekent dit vooral een flinke vooruitgang op het gebied van monitoring en beveiliging. Systeembeheerders en analysesoftware hoeven straks niet meer via ingewikkelde omwegen uit te vogelen welk specifiek programma verantwoordelijk is voor een plotselinge piek in processorbelasting of verdacht netwerkverkeer. Ook wordt het voor beveiligingsmodules eenvoudiger om strikt toezicht te houden, omdat regels direct aan de container als geheel gekoppeld kunnen worden in plaats van aan individuele processen.
Het voorstel bevindt zich vooralsnog in de verkennende fase waarin ontwikkelaars overleggen over de meest geschikte aanpak. Mocht het idee worden doorgevoerd, dan betekent dat een interessante verschuiving in de Linux-wereld, waarbij de kernel na al die jaren eindelijk zelf leert wat de moderne containertechnologie precies inhoudt.
