De ontwikkelaars achter de populaire programmeertaal Python hebben besloten om de recent toegevoegde, experimentele JIT-compiler weer uit de codebase te verwijderen. De techniek werd eerder met hoge verwachtingen geïntroduceerd om programma’s merkbaar sneller te laten lopen, maar blijkt in de praktijk te weinig winst op te leveren om de toegenomen complexiteit te rechtvaardigen.
Een zogeheten Just-In-Time-compiler vertaalt programmacode tijdens het uitvoeren direct naar instructies die de processor meteen begrijpt. In Python 3.13 werd hiervoor een vernieuwende ‘copy-and-patch’-aanpak ingebouwd als onderdeel van een meerjarig project om de taal aanzienlijk sneller te maken. Dat klinkt veelbelovend, maar uit uitgebreide prestatiemetingen bleek dat de feitelijke snelheidswinst vaak minimaal was of zelfs helemaal uitbleef. Tegelijkertijd zorgde de techniek voor veel hoofdbrekens bij het bouwen van Python, omdat er ineens zware externe ontwikkeltools zoals LLVM voor nodig waren.
Voor de gemiddelde gebruiker of programmeur verandert er op de korte termijn vrijwel niets. De experimentele compiler stond standaard uit en moest specifiek met de hand worden ingeschakeld, waardoor veruit de meeste systemen er nog geen gebruik van maakten. In de praktijk betekent het schrappen vooral dat het kernteam van Python geen kostbare tijd meer hoeft te steken in het onderhouden van een ingewikkeld onderdeel dat zijn meerwaarde nog niet heeft bewezen. Hierdoor blijft de basis van Python stabieler en overzichtelijker.
Het schrappen van deze specifieke compiler betekent overigens niet dat het streven naar een snellere programmeertaal van de baan is. Het ontwikkelteam blijft zich richten op optimalisaties onder de motorkap, maar kiest er nu voor om eerst andere technieken te verfijnen voordat er opnieuw naar een ingrijpende JIT-oplossing wordt gekeken.
